Belevenisjournalistiek

Tussen aandacht en verantwoordelijkheid

  Geplaatst op 4 april door Yael de Haan

“Op 11 december 1971, om drie uur ‘s nachts, verdween Ria Daanen, moeder van drie kinderen. Bijna een halve eeuw later is ze nog steeds vermist. “Alle scenario’s kunnen niet. En toch is het gebeurd.”

Ze zou hier wonen. Misschien. Aan een pleintje in het centrum van een Italiaanse stad. Het is midden op de dag en de zon brandt op de straatstenen. Een zwaluw duikt laag over en te midden van een doolhof aan nauwe straatjes, vicolos, is het stil. Iedereen heeft zijn luiken dicht. Roepen heeft geeft zin.

Aan de verdwijning van Ria heeft iedereen een andere herinnering. Marga, de jongste, werd wakker van de harde, paniekerige woorden van haar oudste broer Jan. Blijkbaar was hij midden in de nacht naar het huis van zijn ouders gekomen en nu stond hij naast hun bed. Marga sliep bij hen op de kamer, met alleen een gordijn ertussen.

“Ria is weg”, riep Jan. “Ria is weg.”

‘Ria is weg’ verscheen op de laatste dag van 2017 in het NRC Handelsblad. Het is een verhaal van 17,257 woorden, leestijd meer dan een uur. De reacties waren lovend. ‘Wie herinnert zich nog zo’n stuk?,’ schreef Henk Blanken ‘Wie besteedt er nou nog een vol uur aan één verhaal?’

‘Ik’, schreef een NRC-lezeres meteen na lezing naar de krant. In haar ingezonden brief vertelt ze hoe ze geïrriteerd raakte door de dikte van de krant op de laatste dag van het jaar. Ze had het druk met boodschappen doen en oliebollen bakken. ‘Na al het geknal ’s avonds,’ schrijft ze, ‘het is inmiddels één uur ’s nachts, werp ik nog een blik op het verhaal.

“Ik begin te lezen en word onmiddellijk in de meest bizarre thriller meegevoerd. Is dit waar? Ik word moe en zie tot mijn genoegen, dat het verhaal nog lang niet uit is. Morgen verder. Vandaag dus, tong bijna uit de mond. Wordt het een open einde? Het is bijna niet meer te verdragen.”

“Sitting in the park with the children I feel the footsteps of someone walking past me on the foot path. Further right and behind me is the car park. The sound of people starting and stopping their cars. Way off to the left is the noise of the main road”

Notes on blindness is een verhaal waarin je als kijker ondergedompeld wordt in de wereld van John Hull, een man die in 1983 zijn zicht verloor. Het is een virtuele ervaring van 25 minuten in beeld en geluid, gemaakt door het Europees Cultureel kanaal Arte. Ook in dit geval waren de reacties zeer positief. ‘Thank you for bringing this experience to the world,’ schreef een man die naar eigen zeggen half doof was.

“Wij zijn de eerste generatie die niet kan ontsnappen aan de gevolgen van klimaatverandering, en de laatste die er wat aan kan doen. Dus wat gaan wij doen?

Niet een tikje korter douchen of een gehaktbal minder eten, maar op een andere manier nadenken over reizen, carrière, de politiek of het krijgen van kinderen. Zó kunnen we iets bewerkstelligen tegen klimaatverandering.

Weet je niet waar te beginnen of zie je door de bomen het bos niet meer? Doe dan nu de spoedcursus verduurzaming: zeven podcasts en strips die je een stap(je) dichterbij een groene wereld brengen. Doe eerst de quiz. Aan de hand daarvan bepalen wij waar je staat in jouw reis naar een duurzamer leven en hoe je verder kunt vergroenen.”

Een spoedcursus Verduurzaming van Vrij Nederland waarin je dus niet alleen kunt lezen maar ook luisteren en zelf doen om, zoals de titel van de cursus zegt, te gaan van ‘Wanhoop naar activisme’.

Tot slot een vierde voorbeeld. Een interactieve visualisatie van the Guardian waarin je in een oogopslag ziet dat er in het zuidoosten en midwesten van Amerika veel minder homorechten zijn dan in de staten in het noordoosten van het land. Ook is meteen duidelijk dat je als homo overal in Amerika officieel wel mag trouwen maar dat er in veel staten geen wetten bestaan die je beschermen tegen discriminatie op school of werk. In veel staten ook is het voor een partner van hetzelfde geslacht niet mogelijk een ziekenhuispatiënt te bezoeken. Een verhaal in beeld dat in alle kleuren van de regenboog in één keer duidelijk maakt hoe slecht het in veel Amerikaanse staten met de homorechten gesteld is. Voor zo’n verhaal zou je in taal heel veel woorden nodig hebben. In beeld zie je het meteen.

OPZET LONGREAD

Journalistiek draait anno 2019 niet langer om beschrijven en duiden. Zij wil de lezer, kijker, luisteraar laten ervaren. Zij wil doen voelen, beleven, herbeleven. Belevenisjournalistiek. Dankzij moderne technologieën bestaan er voor de huidige journalistiek, nieuwe en tot op heden ongekende mogelijkheden om het publiek te betrekken. Maar is het resultaat daarvan altijd positief? Heeft belevenisjournalistiek het gewenste effect? En waar ligt de verantwoordelijkheid van de journalistiek?

In deze, conform het onderwerp, multimediale longread ga ik in op een journalistiek die in eerste instantie uit is op aandacht, emotie en beleving. Daarmee roept zij vragen op, over de journalistiek zelf, haar functies en de rol die emotie speelt, kan spelen. Wat is het effect van belevenisjournalistiek, hoe wordt zij door het publiek ervaren en welke uitdagingen brengt dat voor de journalistiek zelf met zich mee?

Ter beantwoording van deze vragen wil ik eerst inzoomen op de maatschappij waarin de journalistiek van dit moment opereert om vervolgens, ondermeer via een stapje terug in tijd, wat meer te zeggen over de rol van emotie in de journalistiek en de redenen dat de aandacht daarvoor toegenomen is. Vervolgens wil ik me concentreren op de meest moderne variant van belevenisjournalistiek, tegenwoordig veelal, immersive journalism genoemd, ‘onderdompeljournalistiek’ zoals het NRC Handelsblad het ooit vertaalde. Ik spreek liever van belevenisjournalistiek en eindig dan ook met de uitdagingen die een dergelijke journalistiek met zich meebrengt. Dit niet alleen voor de journalistiek zelf maar ook voor de maatschappij waarbinnen zij functioneert. Daarmee kom ik aan het eind van mijn verhaal en wel bij de opdracht die ik bij deze aanvaard: onderzoek doen naar de digitale transitie van de journalistiek.

BELEVING IN ONZE SAMENLEVING

Het is dit jaar op de kop af twintig jaar geleden dat Joseph Pine en James Gilmore The Experience Economy publiceerden. In dit boek, uit 1999, betoogden de Amerikaanse auteurs dat het er bij producten en diensten steeds minder gaat om inhoud en steeds meer om ervaring, beleving. Kwaliteit is slechts een aspect. De kracht van een massaproduct ligt bij de emotie die het oproept, het persoonlijk of sociaal gevoel. Vandaar, bijvoorbeeld, dat Albert Heijn een borreleiland en een kruidenkniptuin heeft, je kan er ook nog wijnproeven. Een bezoekje aan de supermarkt, de woonboulevard, de bibliotheek draait tegenwoordig niet meer uitsluitend om boodschappen, meubels, boeken. Het gaat erom inspiratie op te doen, te proeven, te beleven. Volgens Nespresso is koffie emotie en moet de consumptie ervan een belevenis zijn. Bij de nieuwbouw van ziekenhuizen wordt tegenwoordig niet alleen aandacht geschonken aan medische faciliteiten. Het gaat ook om de ervaringswereld van de patiënt. Pine en Gilmore schreven: ‘If you charge for tangible things, then you are in the goods business. If you charge for the activities you perform, then you are in the service business. If you charge for the time customers spend with you, then and only then are you in the experience business.’

‘If you charge for tangible things, then you are in the goods business. If you charge for the activities you perform, then you are in the service business. If you charge for the time customers spend with you, then and only then are you in the experience business.’

‘The time customers spend with you.’ Tegenwoordig is dit principe bijna overal doorgedrongen, van kapper tot wasstraat en van vliegveld tot benzinestation. Nieuwe technologieën stimuleren dit. Dat wist Apple CEO Steve Jobs maar al te goed. Hoewel veel concurrenten hem voor gek verklaarden, was en bleef zijn motto: ‘Always start with the customer experience, not with the technology’. 

‘Always Start With The Customer Experience, Not With The Technology’.

Apple is dan ook een mooi voorbeeld van waar het hier om gaat. Je koopt of gebruikt niet zomaar een Apple. Bij dat merk hoort een levenshouding, een gevoel, een manier van zijn. Apple verkoopt dan ook meer dan een product. Zij verkoopt, precies zoals Pine en Gilmore aangaven, een gevoel, individueel en collectief. Je bent Apple, je hoort bij Apple.

Een buitengewoon duidelijk voorbeeld van deze tendens is de fabrikant van het energiedrankje Red Bull. Zoals elke producent maakt Red Bull reclame. Maar geruime tijd geleden al besefte de marketingafdeling van het bedrijf dat je het hiermee in de moderne wereld niet redt. Vandaar dat Red Bull in media ging en op dit moment in Red Bull’s homeland Oostenrijk het op één na grootste mediabedrijf is. Vanuit dat bedrijf verkoopt het verhalen, over de Amerikaanse alpine-skiester Lindsey Vonn bijvoorbeeld, over de wolfmens Marcos, over freestyle-skiër Shane McConkey en over motorduivels als Dani Pedrosa en Travis Pastrana. Met die verhalen verkoopt Red Bull een gevoel, zeg het Red Bull-gevoel. En het is dit gevoel dat de consument moet overhalen om zo’n drankje te kopen.

Dit is onze wereld, onze samenleving, beleveniseconomie. Bij een dergelijke economie horen begrippen als customer experience en design thinking. Daarbij gaat het steeds weer om hetzelfde. De ervaring van de gebruiker zo sterk mogelijk maken. Vandaar ook dat steeds meer onderzoek wordt verricht naar de zogenoemde ‘affective turn‘, naar de rol die emotie speelt bij maatschappelijke kwesties, naar menselijke ervaringen en naar de reactie van het lichaam, zowel fysiek als psychisch. Pine en Gilmore maken een vergelijking met de theaterwereld en stellen dat een producent of verkoper in de eerste plaats een podium creëert. Economie als theater. Maar geldt dat ook de journalistiek? Is een journalistieke productie als een theaterstuk? En zo ja, wat doet zo’n stuk dan? Waarom verleidt het? Waaraan appelleert het?

EMOTIE EN JOURNALISTIEK

Emotie en journalistiek lijken elkaars tegenpolen. Journalistiek wordt van oudsher gerelateerd aan de idealen van objectiviteit, feitelijkheid, afstandelijkheid en ratio. Het idee hierachter is dat je als journalist een objectieve kijk op de wereld geeft. In een onpersoonlijke stijl en los van emotie vertel je de zaken zoals ze zijn.

De opkomst van de televisie en de groeiende betekenis van populaire cultuur hebben hierin in afgelopen halve eeuw verandering gebracht en daarmee emotie steeds meer op de voorgrond geplaatst. Hoewel emotie in eerste instantie altijd nog gerelateerd werd aan sensatie, talkshows en tabloids, werd zij ook gezien als een gerechtvaardigd middel om het publiek te betrekken bij zaken waarvoor het zich gewoonlijk niet interesseert.

In de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw ontstond in de Verenigde Staten een journalistiek genre dat literaire technieken gebruikte voor journalistieke verhalen en andere vormen van non-fictie: New Journalism. In de verhalen van dit genre speelt de journalist zelf veelal een rol en schrijft dan ook in de ik-vorm. Een gevolg hiervan is dat je als lezer al snel meegenomen wordt in het verhaal en ervaart wat de journalist ervaart. Een dergelijke manier van vertellen werd vaak vergemakkelijkt doordat de journalist zich onderdompelde in de situaties waarover hij schreef. Destijds werd een dergelijke journalistiek vaak bekritiseerd. Zij ging tegen de principes van het vak. Het ging er niet om de lezer te beroeren of te bewegen. Het ging er ook niet om, zoals Günther Walraff bijvoorbeeld met zijn verhalen als undercoverjournalist beoogde, hem of haar tot actie te verleiden. En je kon al helemaal niet een kant kiezen, je moest onpartijdig blijven.

Hoewel New Journalism als een interessant experiment werd beschouwd, werd zij meer als literatuur dan journalistiek gezien. Neemt niet weg dat zij furore maakte – ook in Nederland en vooral bij een blad als Vrij Nederland. Grote reportages als ‘De bestuurders van lijn 16’, over de Amsterdamse tram en geschreven door Gerard van Westerloo en Elma Verhey, werden legendarisch. Desalniettemin veranderden zij niets aan het feit dat dagbladjournalistiek nog altijd gekenmerkt werd door zakelijkheid en afstandelijkheid. De ik-vorm was en bleef uit den boze, het was niet de bedoeling dat het journalistieke verhaal verteld werd met een spanningsboog.

Zoals gezegd, is dat tegenwoordig wel anders. Het publiek kan steeds meer genieten van ‘immersieve verhalen’, verhalen dus waarin je wordt meegenomen, zelfs ondergedompeld in andere werelden. Hiertoe zijn vele middelen en vele methoden: beeld, visualisatie, virtual reality, narrativiteit, film. De journalist die in een wereld onderdompelt om immersieve verhalen te vertellen. Onlangs nog, in 2018, reikte Koning Willem-Alexander de prestigieuze Erasmusprijs uit aan de Amerikaanse onderzoeksjournalist Barbara Ehrenreich. Maandenlang had Ehrenreich, van oorsprong immunoloog, in de Verenigde Staten geprobeerd rond te komen van een minimumloon en daartoe als kassière, serveerster en schoonmaakster gewerkt. Door haar immersieve technieken en persoonlijke verhalen wil zij de bedrieglijkheid van de Amerikaanse droom aantonen. Het gaat haar om fact finding en verhalen vertellen. Empathie en emotionele betrokkenheid spelen daarbij een doorslaggevende rol. Dit verklaart ook waarom de journalist je tegenwoordig steeds vaker een kijkje in de keuken gunt – iets wat voorheen min of meer taboe was. De journalist toont hoe een verhaal tot stand komt, welke moeilijkheden hij ervaart, welke belemmeringen, welke dilemma’s. Naar analogie van het dramaturgisch perspectief van de Canadese socioloog Erving Goffman – ‘de wereld is een schouwtoneel’ – lijkt het erop dat de journalistiek zich verschuift van frontstage naar backstage. Het gaat niet meer alleen om wat er op het podium gebeurt, belangrijk is ook wat in de coulissen speelt.

WAAROM DIE TOEGENOMEN
AANDACHT VOOR EMOTIE

Journalistiek en emotionele betrokkenheid. Anno 2019 ontkomen we er bijna niet meer aan. Dat heeft te maken met een aantal ontwikkelingen.

Ten eerste is er het gebruik van nieuwe platforms voor journalistieke consumptie. De wereld om ons heen is verweven met media. We lezen niet meer alleen de krant of kijken televisieprogramma’s op aangeboden tijdtippen. Ook de consumptie van online nieuws verplaatst zich, van laptop of tablet naar mobiel

Tabel 1: Bereik Nu.nl. Bron: Bakker, 2019.

We consumeren media en journalistiek wanneer het ons uitkomt, op elk moment. We zijn één met een mobieltje dat ook nog eens gepersonaliseerde informatie aanbiedt. Aldus creëert de gemediatiseerde samenleving een affectieve relatie tussen gebruiker en media. Met nieuwe technologieën zoals de voice assistant dringen media onze wereld binnen. Daarbij gaat het niet meer alleen om het overbrengen van informatie, het gaat om het creëren van een betrouwbare en affectieve relatie. Het is, kortom, zoals hoogleraar mediastudies Mark Deuze stelt: ‘we do not live with media, but in media.’

Een tweede aspect is de personalisering van journalistiek. Personalisering is op zich niet nieuw, zeker niet op televisie. Een onderzoek naar personalisering van de televisiejournalistiek laat zien dat er wat betreft de presentatie van politici niet zoveel veranderd is. Maar de huidige personalisering gaat verder. Verhalen moeten dichtbij de leefwereld van het publiek komen. Een verhaal dat raakt is een verhaal dat dichtbij komt, een verhaal waarin je je kunt inleven. Vandaar dat persoonlijke verhalen steeds vaker als uitgangspunt worden genomen om een groter maatschappelijk thema aan te kaarten. Fokke Obbema, journalist bij de Volkskrant, werd in 2017 getroffen door een hartstilstand en beschreef zijn ervaringen in het artikel ‘Even dood: een leven na een hartstilstand‘. Hij kreeg een overweldigend aantal reacties, niet alleen van lezers die hetzelfde hadden meegemaakt maar ook van familieleden van mensen die hersenschade hadden opgelopen, van hulpverleners en van mensen die met burn-out kampte. Dit laatste omdat Obbema in zijn verhaal de vraag naar het waarom stelde en zich afvroeg welke rol stress had gespeeld.

Nieuwe technologieën geven personalisering nieuwe mogelijkheden. Dankzij slimme algoritmen weten media steeds meer en veranderen daarmee van een one size fits all massamedium naar een gepersonaliseerd medium dat de gebruiker van materiaal voorziet dat toegesneden is op zijn situatie. 

Een derde ontwikkeling dat heeft geleid tot meer emotionele betrokkenheid is dat de mediagebruiker niet enkel passief consumeert, maar ook actief. De media komen niet naar ons toe, wij gaan erheen, bemoeien ons ermee en verspreiden het nieuws. Wij zijn niet alleen één met onze eigen media, we zijn ook verbonden met de media van anderen, zelfs met massamedia. Volgens onderzoekers van het Amerikaanse Pew Research Center: “News consumption is a socially-engaging and socially-driven activity, especially online. The public is clearly part of the news process now. Participation comes more through sharing than through contributing news themselves.”

In een online medialandschap hebben journalistieke organisaties minder grip op een publiek dat hopt van bron naar bron en alle kanten op surft. Een vierde ontwikkeling is dat de journalistiek naar andere manieren zoekt om het publiek te bereiken en te binden, andere manieren om informatie over te brengen, verhalen te vertellen, de lezer, kijker of luisteraar te betrekken. Terwijl snelheid een kenmerk van online journalistiek is en deze steeds vaker ‘ASAP journalism’ wordt, hebben we in afgelopen jaren ook een tegenreactie met het zogenoemde ‘slow journalism’ gezien. In een dergelijke journalistiek is er meer aandacht voor langere, diepgaande verhalen, verhalen die tot doel hebben de lezer of kijker te raken, te activeren, te binden. Hiermee zien we een verschuiving van genres waarin informatie centraal staat naar genres waarin het vooral om emotie en beleving draait.

Tot slot, en niet onbelangrijk, speelt het vertrouwensdebat in de journalistiek. Dat debat is er al jaren. Maar in afgelopen tijd is het gecompliceerd door de opkomst van nieuwe platforms in het journalistieke ecosysteem. Dergelijke platforms, zoals Google en Facebook, manifesteren zich als journalistieke organisaties en zetten de journalistiek zoals wij die kennen onder druk. Dit leidt er op zijn beurt toe dat het vertrouwen in ‘de’ journalistiek afneemt en dat er, mede gestimuleerd door de huidige president van de Verenigde Staten, steeds meer te doen is over nepnieuws en andere vormen van onbetrouwbare informatie. Dit wordt nog eens versterkt doordat het publiek ook zelf steeds meer nieuws maakt en verspreidt. Wat is waar, wat niet? Het antwoord op deze vraag ligt echter niet zozeer bij de inhoud als bij de bron. Het gaat er in eerste instantie veelal niet om wat gezegd wordt maar wie het zegt. Daarmee heeft het vertrouwensdebat zich verplaatst van de inhoud naar de vorm, van de boodschap naar de boodschapper, en wellicht van de ratio naar de emotie. Het vertrouwen in de Nederlandse journalistiek is, na jaren van daling, weer toegenomen. Dit blijkt ook uit de meest recente onderzoeken. Hierbij gaat het echter niet om de vraag of men weet en ziet dat nieuws betrouwbaar is. Het gaat om gevoel.

Technologie is de rode draad tussen de vijf genoemde ontwikkelingen. Technologie beïnvloedt de wijze waarop journalistiek gemaakt, geconsumeerd en ervaren wordt. En nieuwe technologieën hebben de relatie tussen journalistiek en publiek voorgoed veranderd. Dit geldt met name voor het soort journalistiek waar het hierover gaat: ‘belevenisjournalistiek’.

BELEVENISJOURNALISTIEK

Bij belevenisjournalistiek draait het om verhalen die emotie en beleving teweegbrengen. Het daartoe gebruikte middel betreft niet alleen de journalist die zichzelf onderdompelt en zijn verhaal op een persoonlijke manier vertelt. Het betreft ook het gebruik van techniek en nieuwe technologieën zoals interactieve visualisatie, animatie, 360-graden video, en zelfs augmented reality en virtual reality. Juist daardoor wordt het voor het publiek mogelijk, zowel fysiek als mentaal, deel uit te maken van een verhaal. Met belevenisjournalistiek wordt geprobeerd de binding met het publiek te versterken of te herstellen terwijl datzelfde publiek hierdoor tegelijkertijd grip op een ongrijpbare, soms onvoorstelbare en complexe werkelijkheid krijgt. Hoe is het om in een isoleercel te zitten, een plek waar de muren op je af komen en waar je met niemand kan praten? Hoe is het als je in een psychose belandt? Hoe is het om een vluchtelingenkamp te leven? En kunnen we ons een voorstelling maken van wat dat is, smeltende ijskappen? Wat betekent het voor ijsberen als hun leefomgeving wordt aangetast?

Zoals gezegd speelt nieuwe technologie hierbij een cruciale rol. Interactieve visualisaties geven je een beter beeld van een complex onderwerp. Producties die zijn gemaakt met een 360 graden camera zorgen ervoor dat je als kijker als het ware aanwezig bent. Je kunt rondkijken, alles zien. Je ziet een voetbalwedstrijd beter dan in het stadium. Met virtual reality-brillen kun je diep in een virtuele wereld stappen en je volledig afsluiten van de echte wereld.

Niet alleen visuele technologie zorgt voor een immersieve ervaring, innovatieve audiotechnologie doet hetzelfde en misschien nog wel sterker. Zij maakt het mogelijk geluiden te horen zoals die in het echt te horen zijn, links, rechts, boven. Je hoort een bom daadwerkelijk achter je vallen. Bij We Wait van de BBC maak je mee hoe het is om in een gammel bootje de overtocht van Syrië naar Europa te maken. Het geluid verandert wanneer jij als gebruiker je hoofd beweegt. Het wordt zachter, minder verstaanbaar als je afstand neemt van de bron. Audio-elementen zorgen ervoor dat je gemakkelijker in de huid kruipt van de personages van het verhaal.

Met The Party, een productie van The Guardian, word je niet alleen meegenomen in de gedachten van het autistisch meisje, Laylah, maar praten de andere karakters in het verhaal ook tegen jou, als kijker. 

Innovatieve technologie gaat om meer dan beleving, meer dan onderdompeling. Zij maakt ook interactie mogelijk. De gebruiker kan zelf de richting van zijn blikveld bepalen, hij kan kiezen uit verschillende verhaallijnen, moet handelingen verrichten om het verhaal verder te doen gaan, kan spreken met de personages van het verhaal. Bij de Verwarde Man van KRO-NCRV gaat het nog verder. Niet alleen word je ondergedompeld in de wereld van iemand die een psychose ondergaat, je ondergaat zelf een psychose. Het betekent een enorme verandering. Terwijl de traditionele lezer of kijker aan de buitenkant bleef en slechts observeerde, verblijft de moderne gebruiker dankzij moderne technieken aan de binnenkant. Hij ervaart niet alleen wat de betrokkenen ervaren, hij is de betrokkene.

Hoe groter de interactie, hoe sterker de invloed van de gebruiker op het verhaal, des te sterker de emotionele betrokkenheid, met fysieke en affectieve reacties tot gevolg. Tranen, angst, woede, het wordt door nieuwe technologie allemaal mogelijk gemaakt. Die emotionele betrokkenheid op haar beurt maakt weer dat de gebruiker zich daadwerkelijk aanwezig voelt. In een virtuele wereld hoort presence daadwerkelijk tot de mogelijkheden. Immersieve journalistiek is iets anders dan oudere vormen van belevenisjournalistiek zoals die onder meer bestonden ten tijde van het New Journalism of vergelijkbare vormen van literaire journalistiek. Daarin staat de journalist centraal. Nu staat de gebruiker centraal. Meer nog: hij is niet alleen toeschouwer, hij is deelnemer, betrokkene.

 

NIEUWE VRAAGSTUKKEN

Immersie en daarmee emotie én belevenis zijn in de journalistiek van dit moment steeds populairder: in lange non-fictie-verhalen, in indrukwekkende visualisaties, in virtual reality producties, het publiek krijgt er tegenwoordig dagelijks mee te maken. Toch zijn er veel vragen over deze vorm van journalistiek. Die vragen betreffen met name drie onderwerpen:

  1. De publiekservaring. Wordt een gebruiker sterker betrokken wanneer een verhaal gebruik maakt van emotie en belevenis?

  2. Journalistieke principes van betrouwbaarheid en waarheidsvinding. Komen die in het geding naarmate het verhaal meer aandacht vraagt?

  3. Het productieproces. Eisen immersieve en emotionele verhalen een andere manier van werken en een andere redactiestructuur?

Aantrekkelijk maar betrokken?

Een belangrijke en tegenwoordig bijna existentiële vraag voor journalisten en journalistieke organisaties is of verhalen door het publiek gewaardeerd worden. Vanzelfsprekend moet dat, zeker in tijden van dalende oplagen en afnemende loyaliteit. Gevestigde media en nieuwe online media zijn permanent op zoek naar het publiek. Uit onderzoek van het lectoraat naar visualisaties en interactieve animaties in journalistieke verhalen blijkt dat de vorm waarin een verhaal gepresenteerd wordt, invloed heeft op de gebruiker. Een aantrekkelijke visualisatie of een interactieve animatie kan aanzetten tot lezen. Maar de vorm moet ook een functie hebben. Hoe mooi ook vormgegeven, als de boodschap van een visualisatie niet duidelijk is, haken lezers af. Een van de belangrijkste verklaringen voor dat afhaken, zo blijkt, is dat verschillende verhaalelementen niet op elkaar zijn afgestemd.

Een voorbeeld. Het verhaal ‘En dan nu eindelijk: het onderwijs vernieuwen’ in NRC Handelsblad gaat over een aanbevelingsrapport voor onderwijsvernieuwing. Althans, dat is waar de tekst over gaat. De visualisaties daarentegen bestaan uit grafieken met onderwijscijfers zoals het aantal uren dat docenten voor de klas staan 

‘De vorm moet ook een functie hebben’ 

en het salaris dat zij in Nederland hebben, dit in vergelijking met 22 andere landen. Tekst en beeld vertellen verschillende verhalen. Dat schrikt af. De lezer wil graag meegenomen worden in het verhaal en niet zelf de relatie tussen verschillende verhaalelementen te hoeven leggen. Sterker nog, de waardering voor het verhaal wordt minder en het verhaal wordt minder goed begrepen.

Niet alleen de discrepantie tussen de verhaalelementen maar ook de visuals zelf kunnen tot verkeerde interpretaties en onbedoelde emoties leiden. Zo werd een visualisatie van het Financieele Dagblad over de groei in de Nederlands economie verkeerd gelezen omdat de grafiek geïllustreerd was met een ouderwetse knip. Deze roept associaties op met zuinigheid of geldtekort en correspondeerde dus niet met een verhaal over groei.

Hoe is de waardering bij het publiek op het moment dat ze meer kunnen interacteren in het verhaal? Renée van der Nat, onderzoeker bij het lectoraat, doet onderzoek naar interactieve multimediale verhalen, verhalen dus waarin verschillende elementen zoals audio, tekst en verschillende vormen van beeld worden ingezet en waarin de gebruiker zelf kan kiezen hoe hij het verhaal leest.

Zo neemt de interactieve documentaire de Industrie: Nederland Drugsland van VPRO je mee in de wereld van de drugshandel in Nederland en laat je zien dat drugs overal te vinden zijn en dat iedereen er mee te maken heeft, van pizzakoerier en boer tot burgermeester. Je kunt als gebruiker zelf kiezen vanuit welk perspectief je het verhaal wil volgen, dat van Duco, de thuisteler, Inge, de wietmakelaar, Henny de joint roller of Frank, de koerier.

Het project Het verdwenen Groningen van Dagblad van het Noorden brengt in kaart hoeveel boerderijen, huizen en andere gebouwen door de gevolgen van de gaswinning verloren gaan en welke panden zijn gesloopt. Er worden verhalen verteld van de mensen die er leefden. De gebruiker kan niet alleen zelf kiezen waar hij begint te lezen, hij heeft ook een taak: informatie toevoegen aan de database van gesloopte huizen. 

Dit soort producties heeft de intentie om de gebruiker mee te nemen in het verhaal. Hij kan ervaren welke impact de aardgaswinning heeft op de bewoners en ondernemers in Groningen of inzien dat achter de reguliere economie van Nederland een zwarte economie van drugshandel schuilt. De journalist geeft de gebruiker meer autonomie en laat hem door het verhaal struinen. De gebruiker maakt op basis van aanwijzingen (‘cues’) een eigen constructie van het verhaal.

Toch heeft de lezer richtlijnen nodig, zo blijkt uit onderzoek van het lectoraat. Wat is de kern van het verhaal, wat moet ik eerst lezen, hoe weet ik wat ik daarna ga lezen? De journalist als gids wordt nog steeds gewaardeerd. Zogenoemde cues, visueel, tekstueel of zelfs auditief, helpen de lezer in het verhaal kern en bijzaak te onderscheiden.

Hoe zit het met de meest immersieve vorm van belevenisjournalistiek, verhalen dus waarin de gebruiker daadwerkelijk in een virtuele wereld belandt? Recent onderzoek toont aan dat virtual reality een gebruiker inderdaad sterker het gevoel van presence geeft. Hij of zij voelt zich daadwerkelijk in het verhaal, meer nog dan wanneer zo’n verhaal enkel uit tekst en beeld bestaat. Toch valt er geen uitsluitsel te geven op de vraag of immersieve verhalen inderdaad leiden tot meer emotionele betrokkenheid en/of beter begrip van het onderwerp. Het is wel een vraag waarnaar het lectoraat in komend jaar onderzoek naar doet.

Concluderend, aantrekkelijkheid en aandacht leidt niet automatisch tot betrokkenheid. Terwijl de vorm van een verhaal belangrijk is om publiek te trekken, dient zij wel een duidelijke functie te hebben. Zo niet, dan is het effect tegengesteld dan de bedoeling.

Een ervaring rijker of juist niet?

Verhalen die appelleren aan de emotie en de gebruiker meenemen in een andere wereld kunnen een nieuw perspectief bieden op een onderwerp. Maar voldoen zij ook aan de klassieke voorwaarden van kwaliteitsjournalistiek: waarheidsvinding en betrouwbaarheid? In het verlengde hiervan: kan waarheidsvinding wel het doel van belevenisjournalistiek zijn? Is het mogelijk in een journalistiek verhaal emoties te verweven en tegelijkertijd betrouwbaar zijn? Waar ligt de grens tussen objectiviteit en subjectiviteit als het eerst en vooral om emotie draait? Kan je nog spreken van waarheidsvinding en objectiviteit als je probeert de emotionele impact van aardgaswinning op de inwoners van Groningen probeert bloot te leggen? Hetzelfde geldt in nog sterkere mate als je probeert duidelijk te maken hoe het is om een psychose te ondergaan. Journalistiek heeft in de eerste plaats nog altijd de taak te vertellen wat er in de wereld om ons heen gebeurt, om feitelijke berichtgeving. Tegelijkertijd kent onze complexe samenleving tal van vraagstukken die via een opsomming en analyse van feiten niet altijd goed te begrijpen zijn. Visualisaties kunnen helpen dergelijke complexe materie overzichtelijk en begrijpelijk te maken. Immersieve verhalen geven inzicht in een wereld die anders moeilijk voorstelbaar is.

‘Belevenisjournalistiek past bij de belevenissamenleving’

 Anders gezegd, belevenisjournalistiek past bij een belevenissamenleving maar heeft zijn plek nog niet gevonden. Dit ook al niet omdat we voorlopig, terecht, vasthouden aan de klassieke principes van de journalistiek. 

Waarheidsvinding en betrouwbaarheid staan voorop. Maar ze staan dus ook op gespannen voet met emotie en beleving.

Dit brengt me bij een tweede, hieraan gerelateerd punt: hoe ver kun je als journalist gaan als beleving het doel is? Er zijn genoeg recente voorbeelden waaruit blijkt dat journalisten te ver gingen en omwille van de beleving zelfs narratieven bedachten en bronnen verzonnen. Zo schreef Trouw-journalist Perdiep Ramesar 126 artikelen die gedeeltelijk en soms geheel onwaar waren. Een daarvan betrof de zogenoemde ‘Sharia-driehoek’ in de Haagse Schilderswijk en was gebaseerd op niet-bestaande bronnen. Een interessant verhaal wellicht maar geen journalistiek: fictie. Volgens Jan Kuitenbrouwer neigt de journalistiek steeds sterker in deze richting. Kuitenbrouwer betoogde dit aan de hand van de meest recente affaire in deze richting, die van verslaggever Claas Relotius van het Duitse weekblad Der Spiegel. Relotius schreef tussen 2011 en 2018 bijna zestig stukken die gedeeltelijk of geheel onwaar bleken te zijn. ‘De journalistiek beloofde ons het verhaal van de werkelijkheid,’ besluit Kuitenbrouwer zijn artikel, ‘maar geeft ons de werkelijkheid van het verhaal.’ Deze voorbeelden laten duidelijk zien hoe een journalist te ver kan gaan. We kunnen dan niet meer spreken van journalistiek, van kwaliteitsjournalistiek.

Maar betekent dit dan dat belevenisjournalistiek per definitie op gespannen voet staat met kwaliteitsjournalistiek? Niet per definitie. Belevingselementen of niet, de journalistiek dient zich altijd te houden aan een weergave van de werkelijkheid en daarover verantwoording af te leggen. Verantwoording gaat gepaard met openheid over de werkwijze en vereist een dialoog met critici en een rechtzetting van eventuele fouten. Dat is helaas niet altijd een vanzelfsprekendheid, zo bleek in 2011 al uit mijn proefschrift. Nu, 8 jaar later, onderzocht ik opnieuw hoe het staat met verantwoording en transparantie in de journalistiek. De noodzaak, of het gevoel van noodzaak daarvoor is toegenomen. ‘De nieuwsconsument wil gehoord worden. Dat kunnen we niet negeren,’ stelt Paul van den Bosch, hoofdredacteur van Algemeen Dagblad Regio. Dat viel ook op bij de nominaties van de Loep Awards 2018. De producties gingen vergezeld van een uitgebreide verantwoording. Een verhaal van Investico over uitbuiting van arbeidsimmigranten in Nederland kent ook een versie met alle bronverwijzingen. En een serie verhalen in Trouw over implantaten bevat een video van onderzoekjournalist Joop Douma over hoe hij te werk ging.

Verhalende kwaliteitsjournalistiek staat dus voor verhalen die je niet alleen onderdompelen maar die ook nog voldoen aan de journalistieke principes. De Ramesar- en Relotiusaffaires zeggen dus wellicht meer over de redactiecultuur dan over belevenisjournalistiek. Zoals de onderzoekscommissie brongebruik Trouw concludeerde: ‘de krant wordt gemaakt in een omgeving die wordt gekenmerkt door een groot wederzijds vertrouwen, waarbij men elkaar weinig echt de maat wil nemen.’

Een derde dilemma met betrekking tot betrouwbaarheid en waarheidsvinding betreft de rol van het publiek. Wanneer het publiek participeert in journalistieke verhalen lijkt de journalist niet langer een onafhankelijke gids en duider. Dit betekent dat nieuwe technologie de journalistiek voor nogal wat vraagstukken stelt. Want hoe kan het publiek een rol in een verhaal krijgen zonder dat de journalist de zeggenschap over dat verhaal verliest? Of is het niet erg als hij die zeggenschap verliest? Maar in dat geval: hoe staat het dan met die betrouwbaar- en onafhankelijkheid? Voorlopig is dit een zoektocht zonder bestemming. Dit verklaart vermoedelijk ook waarom de consument in de meeste immersieve producties die gebruik maken van nieuwe VR technologie op dit moment vooral toeschouwer en geen participant is.

Een vierde kwestie betreft het onderscheid tussen echte – en virtuele werkelijkheid. Met virtuele technieken is het mogelijk om de werkelijkheid te manipuleren. Maar begrijpt de kijker dat? Ziet hij het verschil? Xinhua News, een nieuwszender in China, maakt gebruik van een virtuele nieuwslezer. Hoewel deze een robotachtige stem heeft, is hij moeilijk van echt te onderscheiden. In een geval als dit is dat misschien niet nodig maar hoe staat het met verhalen waarin een virtuele werkelijkheid verteld wordt.

Uit onderzoek blijkt dat immersieve VR verhalen als betrouwbaar worden ervaren. Maar beseft de kijker dat het hier een virtueel verhaal betreft en zo niet, wat betekent dat? Worden fictie en werkelijkheid in zo’n geval niet hopeloos door elkaar gegooid? 

Bij het gebruik van datavisualisaties lijkt het onderscheid tussen waar en niet-waar minder relevant. Toch is dat slechts gedeeltelijk het geval. Zo is genoegzaam bekend dat data en geautomatiseerde data zelden of nooit objectief, laat staan neutraal zijn. Die data kunnen vervolgens zo gevisualiseerd worden dat de boodschap niet begrepen of gestuurd wordt. Sterker nog, visualisaties die er prachtig uit zien hebben vaak een onduidelijke boodschap. Zoals Frédérick Ruys, gerenommeerde visualisatiemaker van onder andere de VPRO serie Nederland van Boven zei: ‘Als er iemand bij je scherm komt staan en je denkt te complimenteren met “Zo, dat ziet er ingewikkeld uit”, dan weet je dat je gefaald hebt.’ Kortom, ook bij visualisaties moet er openheid en transparantie zijn, zowel over de data en de totstandkoming van de verschillende datasets als over de  visualisaties.

Samenvattend, belevenisjournalistiek laat in haar gebruik van emotie zien dat de journalistiek een afspiegeling is van onze complexe maatschappij. Maar juist daardoor vergt zij meer openheid, meer transparantie over het journalistiek maakproces en eindproduct.

Het productieproces: interdisciplinair samenwerken

Belevenisjournalistiek brengt ook kwesties met betrekking tot het maakproces met zich mee. Zij eist van journalisten meer en nieuwe vaardigheden. Zij eist ook samenwerking tussen journalisten en experts van verschillende disciplines, zoals data-analisten, vormgevers, visualisatiemakers en developers. Een interdisciplinaire samenwerking is op redacties lang niet altijd een vanzelfsprekendheid, zeker niet zo lang het journalistieke proces als een individuele zaak wordt gezien. Samenwerking tussen verschillende disciplines is dan wel heel ver te zoeken.

Een onderzoek van het lectoraat naar het productieproces van datavisualisaties laat zien dat het noodzakelijk is dat beeld- en tekstspecialisten samenwerken. Zo niet, dan blijft het verhaal onduidelijk en onbegrijpelijk. Tekst en beeld corresponderen dan niet. Een dergelijke samenwerking is echter gemakkelijker gevraagd dan verwezenlijkt. Een van de redenen hiervan is de hiërarchie: vormgevers en visualisatiemakers nemen veelal een onderschikte positie in. De tekst is leidend, de journalist maakt het verhaal, de vormgever heeft de taak het aantrekkelijk te maken. Zoals de chefs redactie van een nieuwsorganisatie ooit stelde: ‘Het feit dat de designer achter de computer zit en de journalist achter hem staat om te zeggen hoe hij het wil, is typerend voor de relatie met journalisten.’ En daar is waar het misgaat.

Ook bij immersieve VR-producties is interdisciplinaire samenwerking een noodzaak. Er wordt samengewerkt met experts die (nog niet) op redacties te vinden zijn, zoals VR developers, audio-experts en 3D vormgevers. Op basis van een inhoudsanalyse van bijna 200 immersieve producties en interviews met vijftien makers van immersieve producties concluderen wij dat er vier vormen van immersive journalism zijn, met ieder een ander teamsamenstelling. Zie figuur X voor een uitleg van de verschillende vormen. Terwijl de type ‘exploring a location’ prima kan worden gemaakt door een journalist die in bezit is van een 360 graden camera, vereisen producties onder de noemer ‘participating in a story’ intense interdisciplinaire samenwerking.

Concluderend: hoewel in de journalistiek steeds meer wordt samengewerkt met andere disciplines en steeds meer vacatures op redacties niet-journalistiek functies betreffen, vraagt belevenisjournalistiek om een kritische blik op redactieprocessen. Terwijl die vanouds niet multimediaal gestructureerd zijn, zal dat in de toekomst anders zijn.

Samenvattend

In het huidige medialandschap zijn consumenten steeds minder loyaal aan een krant, omroep of tijdschrift. Dit dwingt journalisten ertoe hun verhalen zo te vertellen dat ze beleefd kunnen worden. Nieuwe technologieën vereenvoudigen dit. Maar deze aantrekkelijkheid leidt niet automatisch tot betrokkenheid. Dat is een nadeel. Zo wijst de praktijk uit dat journalisten en redacties zich vaak sterk laten leiden door de technologische mogelijkheden. Technologie wordt bijna een doel op zich in plaats van, zoals evident is, een middel om een verhaal beter te maken.

Kunnen we nog wel spreken van journalistieke verhalen als aandacht, emotie en betrokkenheid de overhand nemen of, zoals steeds vaker gebeurt, gemaakt worden door mensen die geen journalist zijn? Het is een vraag die juist in deze tijden van politieke en maatschappelijke polarisatie van groot belang is. De journalistiek is immers verplicht verhalen te maken waarin onze complexe samenleving geduid wordt. Maar gebeurt dat wel voldoende? Wordt het begrip door emotionele betrokkenheid vergroot, wordt de attitude van het publiek daardoor veranderd? Het is moeilijk te zeggen. Vast staat echter wel dat de journalistiek, ook in samenwerking met andere partijen, haar onafhankelijkheid moet bewaken. En dat ze daarover transparant  is. Tegelijkertijd staat vast dat de huidige beleveniseconomie en belevenissamenleving om belevenisverhalen vraagt. Daarbij kan de journalistiek niet achterblijven. Sterker nog, zij moet voorop gaan.

LECTORAAT KWALITEITSJOURNALISTIEK
IN DIGITALE TRANSITIE

De journalistiek is in beweging in een maatschappij die in beweging is. Complexe vraagstukken vragen om antwoorden die de zaak analyseren en tevens praktisch  toepasbaar zijn. Over de behoefte aan een lectoraat journalistiek is op dit moment dus geen twijfel. Het lectoraat gaat de komende jaren verder met twee onderzoekslijnen: digitale verhaalvormen en research in digitale context.  Deze lijnen lopen parallel aan wat vanouds de essentie is van de journalistiek: goede verhalen vertellen op basis van betrouwbare informatie. Aldus gaat het lectoraat dus verder met de discussie over de balans tussen vorm en functie.

Onderzoekslijn Digitale verhaalvormen

Technologische ontwikkelingen hebben mogelijkheden gecreëerd om op diverse manieren verhalen te maken. Het lectoraat onderzoekt hoe journalistieke organisaties nieuwe vormen van onafhankelijke storytelling ontdekken, hoe het publiek dit waardeert én consumeert en welke spanning dit met zich meebrengt tussen maatschappelijke en economische waarden. Ethische vraagstukken zoals het waarborgen van onafhankelijkheid bij het gebruik van nieuwe verhaalvormen spelen hierbij eveneens een rol. Ook analyseert het lectoraat diverse opkomende journalistieke vormen en genres. Zo onderzoekt Renée van der Nat voor haar PhD de productie en consumptie van interactieve multimediale verhalen, is er een team onderzoekers bezig met immersieve journalistiek en is Sebastiaan van der Lubben een PhD gestart naar de productie en geloofwaardigheid van liveblogs.

Ook onderzoekt het lectoraat hoe docenten de overstap kunnen maken van onderwijs in oude naar onderwijs in nieuwe verhaalvormen – wat gelijkstaat aan de overstap van traditionele naar nieuwe onderwijsvormen.

Onderzoekslijn Research in een digitale context

De manier waarop journalisten tot hun bronnen komen was ooit een vanzelfsprekende routine. De onlinewereld biedt echter een overvloed aan informatie terwijl het tegelijkertijd steeds moeilijker wordt om uit het enorme aanbod relevante, betrouwbare informatie dan wel bronnen te selecteren en deze vervolgens te verifiëren. In tijden van fake news en post-truth is het meer dan ooit van belang om na te gaan hoe journalisten aan hun informatie komen: hoe zoeken, selecteren en verifiëren ze? Het lectoraat doet onderzoek naar veranderende researchpraktijken. Samen met de Universiteit van Wenen en Universiteit van Amsterdam onderzoekt het hoe journalisten informatie selecteren en verifiëren in een online context. Els Diekerhof onderzoekt voor haar PhD de concrete (online) activiteiten en handelingen van journalisten bij het vergaren en verifiëren van informatie en bronnen. En we starten een onderzoek naar de rol van algoritmes bij selectie en verificatie: in hoeverre worden journalisten gestuurd door algoritmes en welke gevolgen heeft dit voor onafhankelijke informatievergaring?

Evenals in de lijn Digitale Verhaalvormen onderzoekt het lectoraat hoe docenten de overstap kunnen maken van onderwijs in een traditioneel naar onderwijs in een nieuw researchprogramma. Zo gaat het lectoraat samen met de opleiding journalistiek onderzoek doen naar onderwijsvormen waarbij angst voor getallen weg genomen wordt en journalistiek-studenten vertrouwd raken met data.

Nieuwe onderzoeksmethoden

Nieuwe, complexe onderzoeksvragen met betrekking tot de journalistiek kunnen niet altijd beantwoord worden met de methoden die binnen journalism studies gebruikelijk zijn, zoals interviews, enquêtes en observaties op een redactie. Binnen journalism studies is er tot nu toe ook weinig debat over innovatieve onderzoeksmethoden. Het lectoraat wil zich voor dergelijke innovatieve methoden wel sterk maken, om te beginnen voor het debat daarover. Zelf gebruikt het die methoden al. Daarbij wordt onder meer gebruik gemaakt van de expertise van andere disciplines. Zo worden respondenten binnen het onderzoeksproject naar immersive journalism niet alleen bevraagd naar hun emotie, ook wordt hun zweetproductie en hartslag gemeten. En bij de vraag naar de wijze waarop journalisten online verifiëren wordt het zoekgedrag geregistreerd door opname-apparatuur die in de laptops is gebouwd. En om na te gaan of de bron van het artikel van belang is bij de keuze om een artikel te lezen gebruiken we eye-tracking methode. Een laatste voorbeeld van innovatieve methoden wordt toegepast bij het onderzoeksproject ‘Exploring the limits of journalism’. Daar gebruikt het lectoraat zogenoemde Arts-based research methoden,. Dat zijn creatieve – en kunstwerkvormen waarbij nagegaan wordt hoe journalisten de grenzen van hun eigen beroepsgroep ervaren.

Door de complexiteit van het journalistieke veld, nieuwe vraagstukken en innovatieve onderzoeksmethoden kan het lectoraat niet anders dan interdisciplinair werken. Vandaar dat het nauwe banden heeft met diverse kennis- en onderwijsinstellingen, met journalisten, vormgevers, data-analisten en zowel gevestigde journalistieke organisaties als journalistieke start-ups.

Kortom, het lectoraat onderzoekt complexe vraagstukken in het journalistieke ecosysteem door interdisciplinair praktijkgericht onderzoek te doen, ten behoeve van de beroepspraktijk, het onderwijs en de wetenschap.